Uit Victor Hugo en de ruïne van Bourscheid
Victor Hugo, de coryfee van de romantiek, introduceerde de Luxemburgse stad Vianden in de Franse literatuur. Ook de Burg, een immense ruïne in de heuvels, vermeldde hij in zijn geschriften. Van alle kastelen die hij kende, waardeerde hij het kasteel van Bourscheid het meest. Om het goed te bekijken, ging hij er tweemaal naartoe langs een moeilijk begaanbare weg – vanaf de oevers van de Ur. Hij schreef er over in zijn Carnets, om de mooiste aspecten te boekstaven. Want die geschriften zouden duurzamer zijn dan zijn herinneringen.
De melancholie van de romantiek
Onze oude kastelen fascineerden de dichter. Ze deden hem denken aan ver vervlogen tijden. “De Burg dateert van de elfde tot de vijftiende eeuw”, schreef hij. De middeleeuwse architectuur van het kasteel, tijdens de renaissance niet naar waarde geschat, werd opnieuw gewaardeerd in de romantiek. Tijdens de middeleeuwen hadden de mensen die momumenten herleid tot ruïnes. Maar in de romantiek werden ze weer op prijs gesteld. De schrijvers Diderot en Chateaubriand bejubelden de schoonheid van de vervallen kastelen. Want als aanhangers van de romantiek zochten ze het geluk in het droevige, in de melancholie.
Met de gids op reis
Victor Hugo vernam voor het eerst iets over het kasteel van Bourscheid in Sur Les Ardennes. De Belg Victor Joly schreef het boek en de Nederlander Martinus Kuytenbrouwer zorgde voor de illustraties. Joly – schrijver en journalist – had in Brussel een goede reputatie. Hij ontmoette Victor Hugo, nadat die in 1851 naar Brussel was gevlucht. Dat gebeurde tijdens de staatsgreep van Napoleon III. Het eerste deel van Joly’s werk verscheen in 1854 en het tweede in 1857. Joly stuurde het boek op naar Victor Hugo, die er dikwijls uit citeerde. Toen Hugo in 1862 voor het eerst in het Groothertogdom Luxemburg was, had hij in zijn bagage de gids over de Ardennen mee. Daarin waren een honderdtal pagina’s gewijd aan het Groothertogdom Luxemburg. Toen Hugo op 7 augustus in Vianden was, schreef hij in een brief naar Joly: “Ik ben in de Ardennen, ik ben hier met u, ik lees uw boek.”
Familie-uitje langs de Sûre
Ook in 1863 en 1865 was Hugo in Vianden. In 1865 maakte hij op 20 september een uitstap naar Bourscheid. Hij bezocht er het kasteel waarover Joly schreef: “Je moet niet naar Heidelberg of Kenilworth gaan om een van de mooiste militaire archtitecturen uit de middeleeuwen, midden in het groen, te bewonderen.” Na een ontbijt in l’Hôtel de Luxembourg ging hij op pad. Hugo trok niet alleen eropuit. Ook zijn geliefde Juliette Drouet – zijn inspiratie voor Tristesse d’Olympie – zijn zonen Charles en François-Victor en Gustave Frédéric, journalist bij L’indépandance belge, waren er bij. Koetsier van dienst was Baptiste de Dinant, met wie ze ook al hadden gereisd in Duitsland. De burgemeester van Vianden, Adolphe Pauly, reed als gids in een cabriolet voor hen. Vanuit Vianden ging het naar Brandenbourg, waar ze langs een heel mooie ruïne passeerden. Van daar stegen ze tot Koeppenhaff en dan daalden ze via Flebour naar Micheleau. Hugo schreef dat er nadien wat transportmoeilijkheden waren. Vooral toen ze – niet ver van Bramillen – de rechteroever van de Sûre bereikten.
Het miserabele Luxemburg
Bij de ingang van de ruïne woonde een oude vrouw. Bij haar ontdekte Hugo voor het eerst het ‘misérabele’ Luxemburg. “Haar verblijfplaats is in een toren. Het is verschrikkelijk. Een grauwe bank tegen de muur, een raam geblokkeerd door stro, een paar gammele stoelen, een oud tafeltje, het vrouwtje. Ze woont er met haar kleindochter die ongehuwd is.” Ze heette Suzanne Bartz, was 67 jaar en leefde al lang in het kasteel. Toen ze 19 jaar was, trouwde ze met Hubert Bartz. Ze werd moeder van 16 kinderen, van wie er 8 stierven tijdens hun eerste levensjaren. Haar man stierf in 1850. De jonge Marie, die 17 jaar was en bij haar grootmoeder woonde, was het onwettige kind van een dochter van Bartz.
De verzinsels van Hugo
Suzanne Bartz toonde hen een heraldisch boekje over de landsheren, meer bepaald over hun titels en functies. Hugo schreef:
Charles Hugo, baron de Metternich
François Hugo, baron van Vernich en Neckarstein, maarschalk van Luxemburg.
Hij moest lachen met het feit dat deze baronnen dezelfde namen hadden als zijn twee zonen. Misschien noteerde Hugo die ‘ontdekking’ wel in zijn boekje om te suggereren dat hij een band had met die mensen in Metternich. Hij had namelijk wel eens de neiging – zo schreef ook Hubert Juin – om zichzelf te linken aan voorname personen. In Notre-Dame de Paris is een zekere Hugo de bisschop van Besacon, in Les Misérables is een andere Hugo de heer van Somerel en in Le Rhin is nog een andere Hugo rekenaar.
Verval van het kasteel
Nadat hij over de landsheren van Bourscheid had gelezen, vroeg Hugo zich af waar hun trots toch was. “We dwalen hier in een ruïne”, schreef de dichter. “Dwalen is wandelen op een plaats die moeilijk terug te vinden is, in dit geval een oppervlakte van 70 hectare. Waar het door de vele aardverschuivingen niet mogelijk is om orde te scheppen. Het is het verscheuren van muren en torens door een verschrikkelijke vuist.” Het beeld dat Hugo schept, heeft epische dimensies, maar toont de waarheid niet. De wapens van de aanvallers, onder wie die van maarschalk Bouffler, waren niet verantwoordelijk voor de schade. Wel de nalatigheid van de landsheren, die er woonden op het einde van het ancien régime. Zij onderhielden het grote gebouw niet. Maar vooral de hebzucht van een erfgenaam, die het vervallen kasteel in het begin van de negentiende eeuw op een veiling verkocht, moet als een vernietigende daad worden beschouwd.
Bloemen en tekeningen als herinnering
Vanaf dan kreeg de vegetatie het voor het zeggen. Egelantieren en struiken doken overal op. Bloemen, gezaaid door de wind, bloeiden te midden van het puin. Een van die bloemen, door Hugo geplukt in Bourscheid op 20 september 1865, bestaat nog altijd! Ze wordt bewaard in een album van Hugo dat rust in de Nationale Bibliotheek van Parijs. De bloem is vastgemaakt aan een pagina waar ze drie strofen bedekt van Manuscrites de Senior est junior, een gedicht dat is opgenomen in Les Chansons des Rues et des Bois. Naast de bloem herinneren ook twee tekeningen, bewaard in de Nationale Bibliotheek van Parijs, aan de excursiedag van 20 september 1865. Hugo, die volgens schrijver Gaëtan Picon wilde vastleggen wat hij zag, droeg altijd een potlood, een pen en een boekje bij zich. Zijn grafische werk, dat onbekend is, bestaat uit twee delen van elk meer dan duizend pagina’s. Zijn werk is als Oeuvres complètes gepubliceerd door Jean Massin. De twee tekeningen, gemaakt op 20 september, tonen in welke staat het kasteel van Bourscheid op dat moment verkeerde.
De schoonheid van de Ardennen
Hugo vond de ruïne ‘bewonderenswaardig’, zoals ook het hele landschap waarin een landsheer duizend jaar geleden besloot zich te vestigen. Chateaubriand sprak van het open karakter van de verwoeste monumenten, die zich openstelden naar de hemel en de natuur. Hugo en zijn gezelschap moesten op zoek naar de beste waarnemers om de regio van de Ardennen te ontdekken. De valleien en de plateaus, de hellingen van steile bergen bedekt met eiken, de Sûre en zijn meanders, de huisjes in de dorpen. Hugo schreef: “Het uitzicht is prachtig.” In een onuitgegeven nota die in zijn schriftje staat, voegde hij daaraan toe: “De heer Pauly-Strasse heeft wijn meegebracht van de Moezel en water van de Seltz. Beiden zijn goed aangekomen in deze ruïne.” In andere onuitgegeven nota’s schreef hij over steile steegjes die leidden naar Vianden. De nota’s vermelden ook dat de Philharmonic Society, net zoals in 1863, een serenade gaf voor een illustere gast in de stad. De volgende morgen, op 21 september om 14 uur, ging Hugo met zijn gezelschap naar Clervaux.
Warme ontvangst voor Hugo
De eerstvolgende jaren keerde Hugo niet meer terug naar de Ardennen. Maar de mooiste herinnering die hij aan ons land overhield, was de ontvangst die de inwoners hem gaven. Toen hij in 1871 werd weggestuurd uit België, koos hij voor Luxemburg als toevluchtsoord. Zo bracht hij de zomer van dat jaar opnieuw door in Vianden. In juli waren Paul Meurice en zijn vrouw bij hem voor een tiental dagen te gast. Meurice, die na de nederlaag van de Commune gevangen gehouden werd door de veroveraars, was een trouwe vriend en een grote bewonderaar van Hugo. Het is Meurice die later in Parijs een belangrijk museum opricht voor Hugo.
Tweede bezoek aan de ruïne
Hugo wilde zijn gasten enkele feodale ruïnes tonen. Op 16 juli leidde hij hen rond in Larochette, waar burgemeester Jean Knaff een lunch serveerde. De volgende dag maakten ze een uitstap naar Bourscheid, met Juliette Drouet en François-Victor – net als in 1865. Het was toen heel warm, maar toch wat aangenamer dan in Parijs. Volgens een van onze kranten steeg de temperatuur toen tot 35 graden. Omdat het zo mooi weer was huurde Hugo die dag een auto met een open dak en een paardenkoets bij Pierre Wahl. Die man woonde in Rothergasse. De route die hij deze keer maakte, verschilde van de route in 1865. “We gingen niet via Brandenbourg, maar via Diekirch.” Zo gingen ze door de vallei langs een pad dat noordelijker lag dan de weg die koetsier Baptiste zes jaar daarvoor volgde. En zo verschenen de restanten van het kasteel van Bourscheid in de verte. “Een prachtig zicht op de ruïne, van hier uit de bergen”, schreef Hugo.
Dorst lessen tijdens een fikse wandeling
Het gezelschap, dat kort na de middag vertrok in Vianden, kwam vier uur later aan in ‘het dorp daar beneden’ – Micheleau. Tijdens de lange tocht in de zon, kregen ze dorst. Dus had een van de drie cafés – Frieders, Reiles en Malget – de eer om melk en bier te serveren aan de vijf reizigers die later de Franse literatuurtop haalden. “Vervolgens gingen we te voet naar de ruïne.” Sinds enkele jaren – vanaf het moment dat een spoorweg naar de noordelijke regio was aangelegd – kon je de Ur oversteken langs de spoorwegbrug. Zo begonnen ze aan een moeilijke klim die ongeveer een half uur duurde. Hugo – op dat moment 69 jaar – en zijn vrouw – iets jonger – bleken uitstekende wandelaars te zijn. In een brief van de Rhin scheef hij: “Je kent mijn smaak. Telkens als ik mijn reis te voet voortzet, dat wil zeggen al wandelend, mankeer ik niets.”
Bewondering voor de ruïne
De ruïne van Bourscheid was sinds 1865 nauwelijks veranderd. Enkele aardverschuivingen hadden de brokstukken wat op elkaar gegooid en de scheuren in de muren waren talrijker. “Oude sterke vesting”, schreef Hugo, denkend aan wat de ruïne gedurende al die eeuwen had doorstaan. Zonder genade voor de vijanden en te vaak ook voor de bewoners werd ze gedomineerd door krachtige meesters. “Un burg,” voegt hij eraan toe. Een woord dat de Franse romantici met opzet overnamen uit het Duits. Een Burg die leek op andere ruïnes die hij tijdens zijn reizen langs de oevers van de Rijn had gezien.
Dichtregels in het gastenboek
De twee vrouwen bewoonden de toren aan de ingang van het kasteel – waarvan Hugo een tekening maakte die nog altijd niet is teruggevonden – niet langer. Suzanne Bartz stierf in 1865 en haar kleindochter Marie kon niet wachten om ‘het verschrikkelijke nest’ te verlaten. Daarom was er nu een soort van conciërge in het kasteel. Hij heette Nicolas Reis en was afkomstig uit Schlassnékel. Hugo schreef: “Een portier gaf me een gastenboek waarin ik mijn naam schreef naast die van Paul Meurice en Victor.” Het is jammer dat het gastenboek al jaren onvindbaar is. Volgens sommigen voegde Hugo er enkele dichtregels aan toe:
Ruine sombre
Château fort
Dis le nombre
De tes morts
Notre vie
Qui t’envie
De ta mort
Regrette le sort (1 2)
Ruïne in een verlaten landschap
Ze keerden terug naar Vianden waar ze om halftien aankwamen. Ze maakten de tocht via ‘de hoge weg’ van Micheleau. Zo zagen de vijf toeristen het kasteel vanaf dezelfde plaats als toen ze vertrokken, met dat verschil dat er nu een schaduw hing over de heuvel. Het is dit uitzicht – met de ruïne die eenzaam en spookachtig tegen de donkere hemel aankijkt – dat aan de oorsprong ligt van Souvenir de Burscheid. Dat werk schreef Hugo op 17 juli. Joseph-Emile Muller noteerde: “De vogel vliegt met grote vleugelslagen – gaat hij er weg? Je zou denken dat hij wil ontsnappen. Alsof dit nachtelijke landschap elk menselijk leven verbant.”
Over de beroemde toerist Hugo
De aanwezigheid van Hugo tussen de ruïnes van Bourscheid wordt ook vermeld in een tekst uit de Luxemburgse literatuur. De auteur - Joseph Tockert – mijmert er in Am Vôlkenberg over. Tockert en zijn geliefde Juliette picknickten er in de schaduw, toen de dorpsonderwijzeres er in een blauwe blouse voorbijkwam. Op vraag van de burgemeester schreef hij in zijn beste Frans twaalf bladzijden over de bezoeken van de beroemde toerist Hugo en zijn gezelschap.